Effecten van de inotropie op de Frank-Starling curve.

Een verhoging van de inotropie veroorzaakt een verschuiving naar boven en naar links.

 

Effecten van veranderingen in de inotropie op de Frank-Starling curven. Verlaagde inotropie verschuift het operationele punt van A naar B, wat het slagvolume vermindert en de linker ventrikel einddiastolische druk (LVEDP) verhoogt. Verhoogde inotropie veroorzaakt een verschuiving van punt A naar C, wat het slagvolume verhoogt en de LVEDP verlaagt.

Dit leidt tot een verhoging van het slagvolume samen met een reductie van de ventriculaire preload. Omgekeerd, een vermindering van de inotropie (wat optreedt bij hartfalen), verschuift de curve naar beneden en naar rechts, daarmee het slagvolume verminderend en verlaging van de preload. Veranderingen in de inotropie veranderen de ejectie fractie wat gedefinieerd is als slagvolume gedeeld door het einddiastolische volume. Een normale ejectie fractie is groter dan 0,55 (of 55%). Verhoging van de inotropie verhoogt de ejectie fractie, terwijl verlaging van de inotropie de ejectie fractie verlaagt. Daarom wordt de ejectie fractie vaak gebruikt om de pompfunctie van het hart te beoordelen. Bijvoorbeeld bij hartfalen leidt de verminderde inotropie tot een daling van het slagvolume als ook tot een stijging van de preload, waardoor de ejectie fractie soms daalt tot minder dan 20%. Behandeling van een hartfalen patiënt met inotrope middelen (bv. Digoxine of ß-adrenoceptoragonisten) verschuift de Frank-Starling curve naar links en naar boven, daarmee het slagvolume verhogend, preload verlagend en verhoging van de ejectie fractie. Veranderingen in de inotropie zijn in het bijzonder belangrijk bij lichamelijke inspanning. Verhoging van de inotropie onderhoudt het slagvolume bij een snel hartritme. Een snel hartritme alleen geeft een verlaagd slagvolume vanwege de korte tijd voor de diastolische vulling. Als daarentegen de inotropie gelijkertijd stijgt, verlaagt dit het eindsytolisch volume om het slagvolume te onderhouden.

terug