


Een gedilateerde (‘congestieve’) cardiomyopathie op de
volwassen leeftijd is meestal het gevolg van een onderliggende aandoening, zoals
coronarialijden, myocarditis, alcoholmisbruik of een systemische spierziekte
(zoals Duchenne en Becker spierdystrofie, limb girdle spierdystrofie en
Friedreich’s ataxie). Op de kinderleeftijd is DCM vaak een gevolg van een
erfelijke stofwisselingsziekte, van mitochondriële disfunctie of van een
systemische spierziekte, maar ook de ‘volwassen’ vormen van idiopathische DCM
kunnen bij sommige verwanten op de kinderleeftijd debuteren. Verschijnselen die
op DCM kunnen wijzen zijn kortademigheid (met name bij inspanning), verminderde
inspanningstolerantie, palpitaties, wegrakingen en pijn op de borst. De diagnose
kan worden gesteld op basis van ECG en echocardiografie. Op de voorgrond staan
een systolische en diastolische verwijding (in combinatie met een
massavergroting) van ventrikels en atria en een vermindering van de pompfunctie.
Intracardiale trombusvorming komt vaak voor, leidend tot een verhoogde kans op
tromboembolische complicaties. Door middel van inspanningstests en
holterregistraties kan de kans op ernstige hartritme- en geleidingsstoornissen
worden ingeschat. Bij veel patiënten is sprake van een (vaak subklinische)
skeletmyopathie. Een hypertrofische cardiomyopathie (HCM) blijkt in 10% van de
gevallen in latere stadia te evolueren in een DCM. Bij pathologisch onderzoek
worden vaak aspecifieke afwijkingen gevonden; lichte hypertrofie in combinatie
met dilatatie, microscopisch soms hypertrofie van de vezels, soms degeneratie
van myocyten, soms toegenomen interstitiële fibrose.
Behandeling van DCM is meestal medicamenteus, gericht op de bij de individuele
patiënt voorkomende verschijnselen. Als het risico op fatale hartritme- of
geleidingsstoornissen hoog is, is implantatie van een ICD geïndiceerd.
Onbehandelbaar hartfalen is in principe een indicatie voor harttransplantatie.
ACE-remming is zinvol bij patiënten met een subklinische DCM en misschien ook
bij asymptomatische mutatiedragers, ter vertraging van het tot uiting komen van
de verschijnselen.
De erfelijkheid
Als de bekende oorzaken van een gedilateerde cardiomyopathie zijn uitgesloten,
spreekt men van een idiopathische DCM. Bij volwassenen is dit in zeker 35% van
de gevallen een familiair voorkomende aandoening3. In de meeste
families is sprake van een autosomaal dominante manier van overerven, maar ook
X-gebonden (geslachtsgebonden) en mitochondriële overerving komen voor. Bij de
vormen van DCM die op de kinderleeftijd ontstaan, is vaak sprake van een
autosomaal recessieve manier van overerven.
Zoals ook bij de andere cardiomyopathieën is bij DCM sprake van verminderde en
leeftijdsafhankelijke penetrantie en van variabele expressie. Dat wil zeggen dat
de ziekte bij sommige mutatiedragers niet tot uiting komt, dat de aanleg voor de
ziekte pas vanaf een bepaalde leeftijd tot uiting komt en dat het ziektebeeld
binnen een familie sterk in ernst kan verschillen. Niet zelden blijkt dan ook
bij cardiale screening van naaste verwanten dat een schijnbaar geïsoleerde
indexpatiënt deel uit maakt van een familie met een tot nu toe subklinisch
verlopende vorm van DCM.
Het gen (de genen)
De genetische ontrafeling van DCM is een gecompliceerde taak. In de afgelopen
jaren zijn veel genen geïdentificeerd die deze ziekte kunnen veroorzaken, echter
veel van deze genen blijken vervolgens maar in een klein aantal families
gemuteerd te zijn. Ook blijken genen die tot HCM of tot een skeletmyopathie
leiden, in sommige families tot pure DCM te leiden (of tot een gecombineerd
beeld).
Het eiwit (de eiwitten)
De meeste genen voor DCM coderen voor eiwitten die deel uitmaken van het
cytoskelet dan wel voor sarcomeereiwitten.
Het tot nu toe belangrijkste gen voor de autosomaal dominante vorm van DCM,
meestal in combinatie met geleidingsstoornissen, boezemfibrilleren en soms met
een milde skeletmyopathie, is het lamine A/C gen (LMNA)4. Dragers van
een mutatie in dit gen hebben een sterk verhoogde kans op plotseling overlijden,
waardoor de drempel voor ICD-plaatsing bij deze groep laag hoort te liggen5.
Andere genen die tot autosomaal dominant overervende DCM predisponeren zijn het
cardiale actine gen (ACTC), het desmine gen (DES), het delta sarco glycaan gen (SGCD),
het beta sarco glycaan gen (SGCB), het titine gen (TTN), het fosfolamban gen (PLN),
het beta myosine heavy chain gen (MYH7), het cardiale myosin binding protein C
gen (MYBPC3), het cardiale troponine T gen (TNNT2), het alpha tropomyosine gen
(TPM3) , het cystein en glycin rich protein-3 (CSRP3), het ATP-gevoelige
K-kanaal gen (ABCC9), het telethonine gen (TCAP), en het cardiale natriumkanaal
gen (SCN5A, veel bekender van het LQTS3 en het Brugada syndroom). X-gebonden
vormen van DCM worden veroorzaakt door bepaalde mutaties in het dystrofine gen (DMD),
bekend van Duchenne en Becker spierdystrofie, en door mutaties in het G4.5,
taffazine gen (TAZ), ook bekend van het Barth syndroom. In het laatste geval is
vaak sprake van zogeheten ‘noncompactie cardiomyopathie’, een vorm die gepaard
gaat met diepe trabeculaties en losmazig (linker) ventrikel weefsel, zoals in de
embryonale periode. Ook endocardiale fibroelastose is een kenmerk van de
cardiomyopathie veroorzaakt door TAZ-mutaties6.
Mutaties in de mitochondriële genen (of in nucleaire genen coderend voor
eiwitten die een rol spelen in de mitochondriële ademhalingsketen) kunnen ook
tot DCM leiden. Vaak is dan sprake van andere verschijnselen (skelet myopathie,
gehoorsverlies, cerebrale disfunctie, ptosis, ophthalmoplegie, retinitis
pigmentosa etc.) bij de betreffende patiënt en/of bij verwanten, die een
aanwijzing vormen voor mitochondriële disfunctie.
De populatie
In Amerika is de prevalentie van DCM meer dan 36.5 per 100.000, in Nederland
gaat men uit van een overeenkomstige prevalentie. DCM is hiermee de meest
voorkomende oorzaak van hartfalen7.
Diagnostiek
DNA-diagnostiek bij geïsoleerde patiënten met DCM is nog slechts zeer beperkt
mogelijk. Het is hierbij van groot belang dat vooraf nauwkeurige fenotypering
plaatsvindt (van cardiale, neurologische en andere systemische symptomen) en dat
de familieanamnese wordt nagegaan voor dit soort uitingsvormen en voor
plotselinge dood. Ook is cardiologische screening van eerste graads verwanten
zinvol. Zo mogelijk wordt de erfmodus vastgesteld. Directe mutatieanalyse is dan
mogelijk voor een beperkt aantal genen (waaronder lamine A/C, in het bijzonder
bij DCM in combinatie met geleidingsstoornissen en/of plotselinge dood in de
familie en een typisch ECG met laag gevolteerde P-toppen, een lange PQ-tijd en
een verbreed QRS-complex). Koppelingsonderzoek (linkage) is mogelijk bij grote
families.
Als een mutatie gevonden is, is dragerschaponderzoek in de familie op deze basis
mogelijk. Dragers komen dan in aanmerking voor cardiale screening en follow up.
Als geen sprake blijkt te zijn van een mutatie in de nu diagnostisch te screenen
genen, blijft het zinvol naaste verwanten te wijzen op de eventuele risico’s van
dragerschap en de mogelijkheid van cardiale screening en follow up.