Verschillende andere belangrijke factoren die de ventriculaire preload bepalen:

 1.    Ventriculaire compliantie bepaalt het einddiastolische volume voor een gegeven ventriculaire vullingsdruk.

2.    Hartfrequentie; door de beïnvloeding van de vullingstijd heeft dit een omgekeerd effect op de preload.

3.    Atriale contractie (bij rust) heeft weinig invloed op de ventriculaire preload omdat de meeste ventriculaire vulling tijdens de passieve vullingsfase gebeurd. Echter bij een hoge hartfrequentie draagt door de verhoogde atriale contractiliteit (als gevolg van sympathische activatie) de atriale contractie beduiden bij aan de ventriculaire vulling, om zo de ventriculaire preload in stand te houden.

4.    Verhoogde inflow weerstand vermindert de ventriculaire weerstand. B.v. bij tricuspidalus stenose is de inflow weerstand verhoogd en de ventriculaire preload verminderd.

5.    Een verhoging van de outflow weerstand, zoals bij pulmonaal klep stenose en pulmonale hypertensie, kan de rechter ventrikel zich moeikijker ledigen, wat leidt tot een verhoging van de preload.

6.    Bij ventriculair systolisch hartfalen, waarbij de ventrikel inotropie is verminderd, wordt de ventriculaire preload verhoogd omdat de ventrikel niet in staat is om normale volumes bloed te ejecteren. Dit veroorzaakt stuwing in de ventrikel en de proximale veneuze circulatie.

Linker ventrikel preload wordt door dezelfde factoren bepaald als bij de rechter ventrikel preload, behalve dat de veneuze druk de pulmonaal veneuze druk is in plaats van de centraal veneuze druk.

terug